Kamp De Kippe, Lippendorf

Zoek iedereen die in dit kamp gezeten heeft »


Ronde tenten in het Krijgsgevangenenkamp in Beisfjord bij Narvik (Stalag 330), gelijk aan De Kippe en Zöschen. Kaart Peres en Lippendorf Kaart De Kippe en Alpenrose Kaart Pulgar - Kieritzsch Kerkhof Pulgar het Monument in de oude situatie Kerkhof Pulgar de 3 Monumenten in de oude situatie Kraftwerk Lippendorf in 1964. Achter de 4 schoorstenen is De Kippe zichtbaar. De Kippe 1968 nr 1 De Kippe 1968 nr 2 De Kippe in mei 2004 nr 1 De Kippe in mei 2004 nr 2 Gasthof Zwei Linden te Kieritzsch Kerktorentje van Kieritzsch De verwoeste fabriek na het bombardement van 21 maart 1945 op de BRABAG in Böhlen Lijst (1) die Henk de Jong in De Kippe te Lippendorf bijhield van overleden gevangenen Lijst (2) die Henk de Jong in De Kippe te Lippendorf bijhield van overleden gevangenen Lijst (3) die Henk de Jong in De Kippe te Lippendorf bijhield van overleden gevangenen Lijst (4) die Henk de Jong in De Kippe te Lippendorf bijhield van overleden gevangenen Schets van De Kippe gemaakt door Aad Kommer, gijzelaar uit Beverwijk

Naam van het Kamp: De Kippe soms ook HöhenSonne genoemd.
Type Kamp: AEL ArbeitsErziehungsLager
Straatnaam: Hauptstrasse
Plaats: Lippendorf-Kieritzsch
Gemeente: Neukieritzsch, Bundesland Sachsen
Geografische positie: 24 km ten Zuiden van Leipzig

UTM-Kartenprojektion Zone 33U. Oost 317 300m. Noord 5671 600m
(ADAC Stadtatlanten).

Noorderbreedte 51 graden 10 minuten 0 seconden.
Oosterlengte 12 graden 23 minuten 12 seconden.

Begindatum: maandag 17 juli 1944, per trein van de Bunawerke in Schkopau.
Einddatum: woensdag 25 oktober 1944.
Op zondag 22 oktober zijn 300 man lopend naar Lager Alpenrose in Peres gegaan om de barakken in orde te maken.

Zowel van het Kamp De Kippe als vanuit Alpenrose zijn de jongens hoofdzakelijk tewerkgesteld bij de “Böhlener Werke” van de ASW, de "Aktiengesellschaft Sächsische Werke". Puinruimen, veroorzaakt door de vele bombardementen, was hun hoofdtaak.

Beschrijving van het kamp overgenomen uit het persoonlijke verhaal van de heer P.P. Stegman. Een gevangene die vanuit Espenhain een aantal dagen na de Merwedegijzelaars en de groepen uit Beverwijk en Bedum op "De Kippe" aankwam.

De volgende dag (volgens de Anmeldung bei der Polizeilichen Meldebehörde kwam de groep uit Espenhain op 25 juli 1944 op de Kippe aan) marcheerden we de hele dag door tot het kamp “de Kippe” in Böhlen bij Leipzig. Dit kamp lag op een afgeplatte sintelberg oorspronkelijk was dit plateau begroeid met eikenhakhout. Dit hout was zodanig verwijderd dat er ruimtes kwamen voor ronde hardboard hutten met een diameter van 5 meter.

We moesten een meter of twintig tegen een hoogte oplopen en betraden een grote vlakte waar links bouwvakkers barakken maakten op een stenen onderstuk. Recht voor ons waren al enkele van deze barakken gereed en bemand met Duitsers. Deze barakken stonden circa 25 meter van het pad wat ons omhoog leidde, met de achterkant grenzende aan een hoog oprijzende kolengruishoop. De Duitsers in de meest recht gelegen barak waren de zogenaamde Verwalters een soort van kantoor met bewapende klerken.

Meteen rechts van de Verwaltung was het prikkeldraad en de ingang van het gevangenenkamp. Op de hoeken en op de zijkant schijnwerpers, welke ’s nachts brandden. Buiten het prikkeldraad liepen Oekraïense soldaten dag en nacht wacht met een geweer.

Het toegangshek was van nieuw ongeschaafd vurenhout. Alles wees erop dat het kamp in grote haast gereed was gekomen. Dit toegangshek zou een beslissende rol spelen tijdens mijn verblijf daar! Er bleek reeds een transport gijzelaars voor ons transport te zijn gearriveerd. Deze mensen woonden al in een deel van de hutten. Zij hadden enkele balen stro ontvangen, wat diende als bedekking op de koude aarde. Ook was er een lageroudste voor hen aanwezig: een louche figuur “De Kappie” genoemd. Deze naam verwees naar ’s mans beroep van binnenschipper. Hoewel hij niet vrijwillig daar was, hij schijnt als Duitsgezinde gefraudeerd te hebben, had hij een bevoorrechte positie! Als Obercapo stelde hij een aantal voormannen aan (knuppelaars). De situatie deed ons aan Amersfoortse begrippen herinneren.

De algehele militaire leiding berustte bij twee bejaarde SS'ers. In hun doen en laten leken zij op een soort padvinders, die ons met “jungens” aanspraken en zich voor ons verantwoordelijk voelden. Als er iemand een klap kreeg, dan deden ze hun koppel af om daar weinig krachtig mee te straffen! Op zekere nacht toen het regende en het regenwater van de naburige heuvel afstroomde, wekten ze ons en deden voor hoe we met de handen geultjes om de hut moesten graven zodat ons stro niet nat werd. (Op 30 juli 1944 werd er in Hannover 34 millimeter neerslag geregistreerd. Op deze dag stonden veel tenten in 1 meter water).

Net als in kamp Amersfoort moesten we alles van kleding en schoenen inleveren en kregen we een soort flanellen broek en jas van muisgrijze kleur, 1 paar voetlappen van ongeveer 40 cm lang en breed, 1 paar linnen sandalen met houten zolen, 1 kroes, 1 lepel en verder nog 1 geëmailleerd schaaltje. We zochten allen een hut voor 30 man en probeerden zoveel mogelijk bij bekenden te blijven.

Het begon te schemeren toen de nieuwe gevangenen op brute wijze naar de appelplaats gedreven werden. De reeds gewende groep van het eerste transport kwam later. Omdat iedereen de ceremonie van appel staan reeds in Amersfoort geleerd had gaf dit geen moeilijkheden, het aftellen ging vlot.

Voor het barakgedeelte waar koffieketels stonden voor de militairen en waar ook de broden in minieme porties gesneden werden, stond buiten een zelfde, op kolen en briketten gestookte, koffieketel voor de gevangenen. Water werd met een boeren tankwagen aangevoerd. Dit water was niet om je mee te wassen. Dat wassen daar kwam voorlopig niets van.

We mochten van geluk spreken dat het bruine vocht uit de koffieketel ons voor uitdroging behoedde (zoals in de overzichten met temperaturen te zien is was het in de maanden juli en augustus 1944 overdag gemiddeld warmer dan 25 graden!). De volgende ochtend werden we allen om 05.00 uur gewekt. Velen waren zo dodelijk vermoeid, dat ze nauwelijks overeind konden komen. Daar wisten de knuppelaars echter wel raad mee! Zij moesten zorgen dat iedereen om 6.00 uur op het appel stond. Na het ochtendappel werden de werkcolonnes geformeerd. De Oekraïense soldaten stonden al gereed met het geweer aan de schouder om de Verbrecher (misdadigers), zoals we genoemd werden, op meedogenloze wijze naar de bruinkoolindustrie te jagen! Het was zaak om voor 6 uur op de appelplaats te zijn, om nog een kroes drinken te nemen. Eten kregen we alleen ’s avonds.

Als de jongens van het bedrijf terug waren, konden ze met hun schaaltje soep halen. Deze soep werd in gamellen aangevoerd met een vrachtauto. Ook een snee bruin brood en af en toe een blokje margarine van 3 cm in het vierkant. Een heel enkele keer zelfs een plakje worst, dat was alles. Velen verslonden het voedsel direct. Anderen namen het mee naar de hut om er wat langer over te doen, of het stukje brood voor de ochtend te bewaren.

‘s Nachts was het kamp permanent verlicht door de schijnwerpers rondom. Buiten het prikkeldraad liepen dag en nacht Oekraïense soldaten. Op enkele meters aan de binnenzijde van het draad was een vier meter lange groeve gegraven met een lange boom midden erover, welke rustte op aan weerszijden geplante schragen van boomstam. Dit was de latrine, daar konden we onze behoefte doen, dag en nacht, met mooi en met slecht weer, als het pijpenstelen regende en er een straffe wind stond.

’s Nachts was het moeilijk om over de voeten van de anderen de hut uit te strompelen, slaapdronken als je was. Om er bij slecht weer weer drijfnat in terug te komen. Zij die gewekt werden door zo’n poepert vloekten en scholden. Het was en ook nogal een hachelijk iets om in het licht der schijnwerpers naar de latrine te lopen. De wacht die je opmerkte richtte ogenblikkelijk het geweer op je. 'Halt' riep hij dan, 'Wohin'? 'Scheißen' riep men dan terug.

De knuppelaars hadden een eigen barakje. Niet rond zoals de anderen, maar rechthoekig met een houten vloer en vakken waar het stro in bleef liggen. De eerste dag in het kamp had ik mezelf een baantje gegeven. Ik besefte dat overleven ook een kwestie was van moed en vindingrijkheid. Toen ik dat wit houten ongeverfde hek zag besefte ik waar mijn taak lag. Het was al avond en de Duitse bouwvakkers waren naar huis. Ik glipte naar buiten de poort uit en jatte een emmer teer. Een kwast zag ik niet, mar wel een stuk vlastouw. Daarvan maakt ik aan een stok een kwast.

De volgende morgen vroeg stond ik zeer uitvoerig het hek te teren. Eerst aan de binnenkant en daarna, toen iedereen die gezag had mij had gezien, de buitenkant. Omdat niemand wist wie hiervoor bevel had gegeven, werd er niet over gepraat. Zo werd ik de Mahler (schilder). Natuurlijk moest ik na een paar dagen ander werk zoeken want het poorthek was klaar. Maar daar had ik al aan gedacht. Een uitgebreide taak stond met voor ogen, alle hutten kregen een geteerd dak. Vele weken had ik werk aan deze job. Een eenzame opdracht in de zon, die mij veel deed nadenken.

De Kappie
’s Avonds na de soep werd niet meer gewerkt en beschilderde ik op verzoek van enkele hun hut aan de buitenkant met o.a. voor de Amsterdammers op een hut de Westertoren en op een andere hut “Bet van Beeren” een beruchte Café eigenaar van de Zeedijk. De Groningers kregen de Martinitoren erop.

Op zeker dag kwam er een vrachtwagen vol frontsoldaten de Kippe op. Zij hadden onder aanvoering van een Feldwebel de leiding over de andere militairen en over het gehele kamp. De Kappie, de lageroudste, werd direct goede maatjes met de Feldwebel. Op zekere dag moest ik aantreden en kreeg bevel deze twee “heren” op papier te vereeuwigen. Door de beschilderde hutten was mijn schilderkunst opgevallen.

Beschrijving wordt nog uitgebreid.