Op 16 mei 1944 werden aan beide zijden van de Merwede honderden jonge mannen
opgepakt en door de bezetter weggevoerd. Velen van hen keerden nooit terug.

Vorige persoon (D. Stel) | Terug naar de lijst | Volgende persoon (W.H. Sterk)

Naam: Arie van der Stelt
Roepnaam: Arie
Geboren:Zaterdag 10 Maart 1923 te Nieuwendijk
Adres:Buitenkade
Woonplaats:Nieuwendijk
Beroep:Fabrieksarbeider
 
Emotionele ontmoetingen Merwedegijzelaars, Altenanieuws 6 mei 2010 Bladzijde 34 van de transportlijst van Kamp Amersfoort naar Braunschweig te Duitsland d.d. 6.7.1944 Kop Artikel 'Merwedegijzelaars vertellen nog één keer over mei 1944' uit het AD d.d. 13/5/2011 Artikel 'Merwedegijzelaars vertellen nog één keer over mei 1944' uit het AD d.d. 13/5/2011 Artikel 'Boek Brabantse Merwedegijzelaars verschenen' uit Altena Nieuws dd 19 mei 2011 Overlijdensadvertentie Arie van der Stelt Transportkaart Arie van der Stelt vanuit Kamp Amersfoort (Bron: digitaal archief ITS Bad Arolsen) Häftlingsgeldverwaltung Arie van der Stelt Kamp Amersfoort (Bron: digitaal archief ITS Bad Arolsen)
 
Opgepakt bij de Razzia in Sliedrecht en Hardinxveld van 16 mei 1944: in de trein naar Dordrecht ter hoogte van Hardinxveld.
 
Op dinsdag 16 mei 1944 per overvalwagen afgevoerd naar het PDA in Amersfoort
 
In het PDA werden alle persoonsgegevens genoteerd waaronder het beroep van de gevangene.
Gevangenenr:1190
 
Tussen 16 mei 1944 en 7 juli 1944 werden 263 gegijzelden vrijgelaten
Arie van der Stelt is NIET vrijgelaten
 
Op 7 juli 1944 's-morgens om 02:30 uur werden de gevangenen afgemarcheerd naar het station in Amersfoort om per trein naar Duitsland vervoerd te worden.
 
Kampen in duitsland:
Plaats, kamp: Mascherode bij Braunschweig, Lager
 
Werkplekken in duitsland:
Plaats, plek: Braunschweig, Büssing
Plaats, plek: Braunschweig, Büssing Brandweer
 
Arie van der Stelt is teruggekeerd: Juni 1945
 
Overleden: Woensdag 23 Juli 2014
Begraven: Maandag 28 Juli 2014
 
Persoonlijk verhaal:
 

De heer Van der Stelt vertelt in een telefoongesprek op 29 juni 2006 dat hij op op 16 mei 1944 in de trein naar Dordrecht zat om examen te doen. Ter hoogte van Hardinxveld werd hij uit de trein gehaald en naar het schoolplein van de School met de Bijbel gebracht. 's Avonds ging de reis verder: in overvalwagens naar Amersfoort.

Uit de periode in Kamp Amersfoort kan de heer Van der Stelt zich nog herinneren dat hij een keer flink aantal stokslagen kreeg. Reden daarvan was dat hij samen met nog een paar andere gevangenen een soort van protest had laten horen. Namen die de heer Van der Stelt zich weet te herinneren zijn Wim Stout uit Hardinxveld en Arie van Lavieren en Cor Brandsma uit Leerdam.

Op transport gesteld naar Duitsland kwam de heer Van der Stelt in Kamp Mascherode terecht, waar hij bij Bussing moest werken en daarna bij de brandweer. De periode in Duitsland draagt hij iedere dag bij zich. Erover praten gaat wel, maar de ene keer is dat moeilijker dan de andere keer. Erkenning voor de mannen die bij de razzia zijn opgepakt, is er nooit geweest. Iets wat heel moeilijk te verteren is, zo ervaart de heer Van der Stelt dit nog steeds.

 

In 2011 spreekt de heer Van der Stelt wat uitgebreider met Hannie Visser-Kieboom. In het boekje Brabantse Merwedegijzelaars (uitgave Historische Vereniging Werkendam en De Werken c.a. uit mei 2011) lezen we zijn verhaal:

'In mei 1944 woont Arie nog bij zijn ouders in het Hasselmaninstituut en werkt als tweede botermaker in de Zuivelfabriek 'Altena' aan de Buitendijk. In het instituut wonen zo'n tien tot twaalf gezinnen. Arie noemt de gezinnen Wijnands, Van der Wiel, Van der Stelt en Versteeg.

Op 16 mei 1944 zit Arie in de trein van Gorinchem naar Dordrecht voor een cursus boter maken. Arie reist samen met Bauke Wijbenga, directeur van de Nieuwendijkse zuivelfabriek. Hij geeft de lessen boter maken in Dordrecht. "We werden 's middags in Hardinxeld uit de trein gehaald met nog een stel anderen. Ik herinner me nog iemand uit Arkel, die volgde ook de cursus boter maken. Met een hele ploeg werden we naar de school in Hardinxveld gebracht, daar moesten we op het schoolplein wachten. Het werd al donker toen we met overvalwagens naar Kamp Amersfoort zijn gebracht. Daar aangekomen kregen we een strozak om op te slapen. Pas de volgende nacht kregen we stapelbedden van twee of drie hoog. De eerste dagen liep je wat door het kamp, daarna moesten we strovlechten. Daar werden tassen van gemaakt. 's Avonds moesten we lang op appèl staan, soms wel met vijfhonderd man. Als je moest plassen, stond je maar een beetje te draaien, als een hondje met zijn poot omhoog. Het eten was niet veel bijzonders. Op de slaapzalen werden we soms gepest door Westerveld, je moest dan je voet uitsteken en daar sloeg hij met een eind hout op. Ik herinner me een Amsterdammer en iemand uit Leerdam en Beverwijk (een kort ventje). Omdat ik het erg in mijn keel had, vroeg ik om en dokter en moest naar de ziekenbarak. De man uit Beverwijk zei, dat je daar niet moest komen, omdat je er nooit meer weg kwam. Ik ben er niet heen gegaan. In Kamp Amersfoort ontmoette ik Koppelaar uit Hardinxveld. Op een keer heb ik met een Amsterdammer, een Rotterdammer en een Leerdammer geprotesteerd dat we moesten werken in het kamp, ik was nogal koelbloedig. Volgens de conventie van Genève moechten gevangenen namelijk niet werken. We kregen er 25 stokslagen voor."

In de nacht van 6 op 7 juli 1944 moet Arie van der Stelt op transport naar Duitsland. Net als alle anderen krijgen zijn ouders thuis bericht om een koffer met kleding te brengen. Zowel zijn vader als moeder reizen naar Amersfoort, maar krijgen hun zoon niet te zien. In de koffer zit een brief van zijn ouders. Ook Arie zelf heeft brieven naar huis geschreven, maar deze zijn allemaal verloren gegaan. "We reisden in een legertrein naar Braunschweig. Vanaf het station moesten we naar kamp Mascherode lopen met onze koffers. Duitse solddaten bewaakten ons, zodat we niet konden ontsnappen. Wim Stout uit Hardinxveld heb ik daar ontmoet. Ik heb hem nog een keer een jas gegeven, omdat hij niets meer had. In Kamp Mascherode stonden drie loodsen met ramen en tralies, één voor de Joden, één voor de Fransen en één waar wij verbleven. We moesten in de autofabriek werken bij Bussing, waar iemand uit Beverwijk omkwam bij een bombardement. Een Russische krijgsgevangene vertelde me wat ik moest doen. Ik werkte aan de draaibank, totdat ik een keer de machine in elkaar liet lopen. Toen moest ik op kantoor komen bij een Oostenrijker en werd ik naar de brandweer overgeplaatst. Daar kreeg ik een opleiding tot brandweerman. We hadden daar meer vrijheid en woonden in de brandweerkazerne, het eten was er redelijk. Iedere dag was er alarm vanwege de bombardementen, vooral op het laatst werd het erger en moesten we steeds vaker brandende huizen blussen. We hadden geen idee dat de Amerikanen al zo dichtbij waren." Van der Stelt denkt dat hij een week of zes bij de brandweer heeft gewerkt.

Terwijl Arie van der Stelt in Duitsland verblijft, blijkt ook Nieuwendijk te lijden onder het oorlogsgeweld. Op 12 december 1944, als de geallieerden oprukken naar de Bergsche Maas en de Amer, zijn er beschietingen in Nieuwendijk. De eerste lading van honderden granaten treffen de mensen die op straat lopen. Ook huizen worden getroffen. En het Hasselmaninstituut waar zijn ouders wonen. "Mijn vader had in militaire dienst geleerd dat je het beste bij een dubbele muur kon gaan staan. Net daar kwam een voltreffer neer. Mijn vader en mijn zussen werden direct gedood. Mijn moeder raakte zwaargewond, ze was doof geworden en had een stijve voet. Ze werd vervoerd naar het ziekenhuis in Gorinchem."
Bij het bombardement in Nieuwendijk komen zeventien mensen om het leven en raken er negentien zwaargewond. Onder de slachtoffers de zus van Arie, Gijsbertje van Wijngaarden-Van der Stelt (1919-1944), ze is op dat moment hoogzwanger en heeft al een dochtertje Aria. Ook zijn zus Johanna (1921-1944) wordt gedood, net als zijn vader Arie. En wrang genoeg ook Bauke Wijbenga, de directeur van de zuivelfabriek Altena. Hoewel Arie van der Stelt in Duitsland verblijft, verneemt hij via een brief toch van het tragische bombardement in Nieuwendijk.

Op 10 april 1945 begint de beschieting van Braunschweig door de Amerikaanse artillerie. Na de zelfmoord van nazi-burgemeester Dr. Hans-Joachim Mertens, onderhandelt de commissaris van politie, Dr. Erich Bockler, in het politiebureau met de vertegenwoordigers van het Amerikaanse leger. Braunschweig geeft zich op 12 april 1945 om 2.59 uur zonder geweld over aan de tweede US Panzer divisie. "Ineens reed een man uit Beverwijk op een transportwagen en riep: 'We zijn vrij!' Ik heb direct mijn spullen gepakt en bent met de man meegereden. We waren met zes of zeven mensen. Ook een Amsterdammer, volgens mij heette hij Janus. Bij het oversteken van de Rijn moesten we wachten, omdat de militairen voorrang hadden. De Amerikanen hadden daar een noodbrug gelegd. In Aken werden we aangehouden en moesten we de transportwagen afgeven. Per trein zijn we toen naar Luik gereisd, daar hebben we één of twee nachten geslapen. En daarna verder met de trein naar Roosendaal. Vandaar liepen we langs de spoorlijn naar Breda. Onderweg heb ik mijn koffer weggegooid en als mijn spullen in een zak gestopt. In Breda ben ik naar mijn zus gegaan, samen met twee andere kerels. We zijn wel drie of vier weken bij mijn zus gebleven. We waren uitgeteerd en lagen alleen maar in de zon op het gras om op krachten te komen. Op een dag vertelde mijn zus dat er een bus naar Nieuwendijk zou rijden. Maar bij Keizersveer was de brug kapotgeschoten, ook had ik geen pas om over te steken. Iemand anders mocht wel over en heeft mijn spullen meegenomen en thuis verteld dat ik naar huis kwam. Mijn broer Cor kwam me op halen op een fiets met klapbanden. Van het weerzien weet ik niet veel meer. Maar ik was ijskoud en keihard geworden in Duitsland."

Eenmaal thuis in Nieuwendijk komt het verdriet om het verlies van zijn vader en zijn zussen hard aan. "Het dochtertje van mijn zus was met haar vader mee terug naar Almkerk, maar ik ging iedere week even bij haar kijken. Het Instituut werd provisorisch gerepareerd, zodat we er  weer konden wonen. Ook een getrouwde zuster kwam bij ons inwonen. Ik ging weer aan het werk in de melkfabriek en moest al snel op voor mijn examen boter maken in Breda. Natuurlijk zakte ik, je was alles vergeten door wat je had meegemaakt. Toen ben ik abrupt weggegaan bij de melkfabriek en in Gorinchem gaan werken. Toen ik 29 jaar oud was, ben ik getrouwd en aan de Sasdijk in Werkendam gaan wonen. Eerst een tijdje bij mijn schoonmoeder op het hoekje, later hebben we ons huis gekocht van schipper Ruijtenberg."

Het vertellen van zijn verhaal grijpt Arie van der Stelt steeds opnieuw aan. Meerdere malen moet hij met een zakdoek zijn tranen wegvegen. Aan de muur heeft hij een herdenkingsbordje van Kamp Amersfoort hangen. "Altijd als ik ga eten, kijk ik eerst naar dat bordje. Maar ik heb met mijn vrouw nooit gesproken over Kamp Amersfoort of die tijd in Duitsland. Je duwt je gevoel weg, je wilt het eigenlijk niet weten. En niemand begrijpt je. Ik ben ook nooit meer teruggeweest naar Kamp Amersfoort. Er was geen erkenning voor ons als Merwedegijzelaars. Ook niet voor mijn moeder, die haar man en twee kinderen verloor in de oorlog. Ze was doof geworden en iemand heeft nog een gehoorapparaat voor haar geregeld. Maar dat was dan ook het enige. Ik denk nog vaak aan Kamp Amersfoort, die tijd was toch wel het ergste. Dan droom ik van Kotälla en dat ik alleen op het excercitieterrein loop met hem. Als ik alleen thuis ben, zet ik altijd de televisie aan. Dan wil ik alles zien over de oorlog, ook al is het nog zo erg."

 


Vorige persoon (D. Stel) | Terug naar de lijst | Volgende persoon (W.H. Sterk)