Op 16 mei 1944 werden aan beide zijden van de Merwede honderden jonge mannen
opgepakt en door de bezetter weggevoerd. Velen van hen keerden nooit terug.

Vorige persoon (A. Looij) | Terug naar de lijst | Volgende persoon (J. Marcelis)

Naam: Jan Hendrik van Lopik
Roepnaam: Jan
Geboren:Vrijdag 9 Oktober 1925 te Hardinxveld
Adres:Buldersteeg 138
Woonplaats:Hardinxveld
 
Jan van Lopik (foto gemaakt op 24 november 2009) Een gids vertelt ... bij de entree van Kamp Amersfoort, helemaal links Merwedegijzelaar Jan van Lopik Terug naar Kamp Amersfoort, artikel in AD/De Dordtenaar d.d. 29 maart 2010 Achterkant dvd over Merwedegijzelaars Merwedegijzelaar Jan van Lopik in gesprek met mw.V.d.Weijden-Ceelen, zus van een omgekomen gijzelaar (16 mei 2014) Rouwkaart Jan van Lopik
 
Opgepakt bij de Razzia in Sliedrecht en Hardinxveld van 16 mei 1944: op straat in Hardinxveld.
 
Op dinsdag 16 mei 1944 per overvalwagen afgevoerd naar het PDA in Amersfoort
 
Tussen 16 mei 1944 en 7 juli 1944 werden 263 gegijzelden vrijgelaten
Jan Hendrik van Lopik is vrijgelaten: Augustus 1944
 
Overleden: Donderdag 24 December 2015 te Gorinchem
 
Persoonlijk verhaal:
 

‘In het voorjaar van 1944 was ik als jongen van 18 jaar werkzaam in de voedselvoorziening. Ik werkte bij Jan Swets, kruidenier in Hardinxveld, en ik ging iedere dag met paard en wagen naar Groot-Ammers om boter, suiker en surrogaatkoffie te halen. In de vroege ochtend van 16 mei was ik bij mijn ouderlijke woning aan de Wilhelminalaan in Boven-Hardinxveld op de fiets gestapt op weg naar de kruidenier. Daar ben ik helaas niet gekomen, want ik reed regelrecht in de armen van de Duitsers die alle jonge jongens uit het dorp zonder pardon oppakten. Ik werd naar het plein van de School met de Bijbel in Neder-Hardinxveld gebracht waar ik verder de hele dag heb gestaan. Zonder eten en drinken, dat was er niet bij. Ik weet nog dat mijn moeder ’s middags is komen kijken, maar er was geen contact mogelijk omdat wij met onze gezichten naar de muur moesten staan. Voor mijn moeder was dat uiteraard moeilijk, ze had mijn vader ook niet om op terug te vallen. Hij was schipper en in Wesel in Duitsland tewerk gesteld om grind te baggeren. Op dat schoolplein heb ik zo’n beetje de hele dag naast Rook Dame gestaan. Die was opgepakt terwijl hij in de grienden aan het werk was; hij had zijn lieslaarzen nog aan. Voor de duvel niet bang, die Rook, echt een held. Hij durfde alles tegen die Duitsers te zeggen.
We hadden geen idee waar we heengebracht zouden worden. Uiteindelijk bleek dat Kamp Amersfoort te zijn. We werden daar ’s avonds in overvalwagens heen gebracht. Verrassend was, dat de eerste persoon die ik daar zag Kees van der Linden uit Hardinxveld was. Hij had een soort gevangenispak aan, dat vergeet ik nooit meer. Kees was opgepakt op zijn onderduikadres en verbleef al een tijdje in Amersfoort. Ik werd ondergebracht in barak 2, die vol stond met stapelbedden van 3 hoog. Ik deelde zo’n bed met Koen Dubbeldam uit Giessendam en Johan Ippel uit Werkendam. In de barak verbleven naast de jongens uit Hardinxveld en Sliedrecht ook mannen uit Frankrijk, Duitsland en Hongarije gevangen zaten. Deze kerels werden vanuit het kamp tewerkgesteld in Hilversum. Daar zat de fabriek NSF-seintoestellen, waar radiocontacten voor vliegtuigen werden gemaakt. Een van die mannen had kans gezien onderdelen het kamp in te smokkelen, zodat er illegaal naar de Engelse zender op de radio geluisterd kon worden. Deze radio lag onder het stro, wat wij – de Merwedegijzelaars – mee hadden genomen uit de strovlechterij. Daar waren wij namelijk te werk gesteld onder andere om stroslofjes te maken. Op een dag werd de radio toch ontdekt en daarop volgde executie van de maker, ik weet niet helemaal meer zeker of dit nu een Fransman of een Hongaar was. Het maakte in ieder geval veel indruk. Ook herinner ik me, dat er gevangenen waren die op de vliegbasis in Soesterberg te werk gesteld werden. Daar moesten ze na een bombardement reparaties aan de landingsbanen verrichten. Schilder Blom uit Groot-Ammers is daarbij een been kwijt geraakt. Het regime in Kamp Amersfoort was niet best. Naast de beruchte Kotälla, had je ook Nederlanders in Duitse dienst die zich niet van hun beste kant lieten zien. Die waren vaak nog kwaaier dan sommige Duitsers. Zo iemand was ook Westerveld, een beul uit Zutphen, die als bijnaam ‘de fietsenmaker’ had. In de beruchte ‘Rozentuin’ moesten we dagelijks lang op appel staan, soms de hele dag. Als je daar dan stond kon je in de verte de kerktoren van Oud-Leusden zien. ‘Daar is de vrijheid’ dacht je dan vol verlangen. Dankzij Het Rode Kruis waren er naast alle ellende gelukkig toch ook nog wat lichtpuntjes. Zo waren de voedselpakketten van het Rode Kruis echt iets om naar uit te kijken. Het eten was slecht dus als je zo’n pakket met fruit en boterhammen kreeg, dan was dat een feest. Ook organiseerde Het Rode Kruis af en toe voetbalwedstrijden tussen de gevangenen onderling.

Inmiddels waren er al behoorlijk wat Merwedegijzelaars vrijgelaten. Sommigen al na een paar dagen, anderen na enkele weken. Vaak jongens die op een scheepswerf of een fabriek als Aviolanda werkten, bijvoorbeeld Kuin aan de Wiel en Jan Netten. Begin juli 1944 werden de overige groep gijzelaars, samen met de gijzelaars Uit Beverwijk en Bedum op transport gesteld. Ik was daar niet bij, vermoedelijk omdat ik in de voedselvoorziening werkte. Korte tijd later werd ik namelijk vrijgelaten. Samen met Wout Versluis ben ik toen terug naar Hardinxveld gereisd. We liepen eerst naar het station in Amersfoort. Op straat kregen we van mensen eten toegestopt. Toen stapten we op de trein naar Geldermalsen; het laatste stuk naar Hardinxveld legden we te voet af. Burgemeester Zuiderhout van Hardinxveld kwam destijds bij ons thuis om mijn familie te feliciteren met mijn vrijlating. Zuyderhoudt was een NSB-burgemeester, maar geen slechte. Het verhaal gaat, dat er in de kelder van het gemeentehuis in Boven-Hardinxveld wapens van de ondergrondse opgeslagen lagen. De burgemeester schijnt dit geweten te hebben, omdat hij er ooit een keer binnenstapte, maar hij heeft die informatie altijd voor zichzelf gehouden.

Ik ben na thuiskomst kort ziek geweest, ik was ondervoed en had last van mijn nieren. Daarna ging het snel weer beter met me. Binnen het jaar was de oorlog afgelopen en keerden de Merwedegijzelaars die de Duitse kampen hadden overleefd, weer huiswaarts. Bas Egas, Cees de Ruijter, Jan en Cees Ritmeester om er maar een paar te noemen. Velen van hen waren ziek of getraumatiseerd. Hoewel ik daar zelf nooit last van heb gehad, weet ik wel wat het betekent om beschadigd te zijn door het verleden in een kamp. Mijn vrouw heeft als meisje in een Jappenkamp op Java gezeten. Zij lijdt aan een kampsyndroom, waardoor ze niet meer thuis kan wonen. Ik bezoek haar nu dagelijks in verpleeghuis De Tiendwaard in Boven-Hardinxveld’.

Opgetekend te Boven-Hardinxveld, 24 november 2009 (AvdS)

 

NB Jan van Lopik woonde in de oorlog aan de Wilhelminalaan 138, maar in de oorlog werd weer de oude naam Buldersteeg gebruikt, omdat op bevel van de Duitsers geen namen gebruikt mochten worden van levende leden van de koninklijke familie.


Vorige persoon (A. Looij) | Terug naar de lijst | Volgende persoon (J. Marcelis)