De heer Kadijk over de gebeurtenissen in de Biesbosch

De heer R. Kadijk (foto genomen op 20-01-2010) De Helsluis waar de landwachters in een hinderlaag werden gelokt in de nacht van 9 op 10 mei 1944 De boerderij van Kadijk in de Sliedrechtse Biesbosch, gefotografeerd rond 1950 Achterkant dvd over Merwedegijzelaars

Tijdens de tentoonstelling over de Merwedegijzelaars in het Sliedrechts Museum (16 mei - 13 juni 2009) ontmoette ik de heer Rent Kadijk. We raakten in gesprek. Hij vertelde me dat hij ten tijde van de razzia met zijn familie in de Sliedrechtse Biesbosch woonde en dat hij zich de gebeurtenissen die zich toen hebben afgespeeld nog goed kon herinneren. Omdat ik nooit andere mensen heb kunnen vinden die over de aanslag bij de Helsluis wilden of konden praten, heb ik de heer Kadijk gevraagd of ik zijn herinneringen mocht optekenen. Dat mocht, waarna ik hem vrijdag 14 augustus 2009 bij hem thuis heb opgezocht (in gezelschap van Gert Romijn, die het interview gedeeltelijk met zijn camera heeft vastgelegd). De heer Kadijk benadrukt dat onderstaand verhaal zíjn verhaal is, ofwel zijn herinneringen aangevuld met wat hij na de oorlog van anderen – waaronder zijn ouders – over de gebeurtenissen heeft vernomen.

Van origine komt de heer Kadijk uit het noorden (Groningen) van het land. Op vierjarige leeftijd verhuisde het gezin naar Zuid-Holland. De familie Kadijk, die negen kinderen telde, betrok een boerderij in de Sliedrechtse Biesbosch gelegen langs de Beneden-Merwede in het latere natuurgebied Kort en Lang Ambacht. In de jaren ’70 van de vorige eeuw werd het gebied door Dordrecht ingelijfd, waarna het werd omgedoopt tot ‘De Merwelanden’.

De heer Kadijk (1931) was nog jong toen de oorlog uitbrak, maar weet zich vooral van de laatste oorlogsjaren nog veel te herinneren. In de boerderij kwamen veel mensen over de vloer, er werd zelfs onderdak aan onderduikers geboden. Iets wat de heer Kadijk overigens pas na de oorlog verteld werd. Hij wist nooit beter dan dat deze mensen, waaronder een Jodin, ‘gewoon’ op de boerderij werkzaam waren. Op zich niet zo vreemd, want in de personeelswoning van de akkerbouwboerderij Kadijk verbleven van maandag tot en met zaterdag altijd werknemers, veelal uit het Brabantse Land van Heusden en Altena. Onder hen ook drie vaste werknemers uit Sliedrecht, die een vrijstelling hadden en dus niet naar Duitsland hoefden om daar voor de bezetter te werken.

De heer Kadijk vertelt: ‘Het Joodse meisje was via de heer Timmers uit Gorinchem bij ons ondergebracht. Eind 1938, na de Kristallnacht, was ze met haar familie uit Duitsland gevlucht. Het gezin kwam in Dordrecht terecht, waar ze een hoedenwinkeltje op de hoek van de Voorstraat met het Scheffersplein begonnen. Rond 1942 was het daar ook niet meer veilig en werden er onderduikadressen geregeld; de kinderen apart van de ouders. Een van de dochters kwam bij ons in huis. Omdat ze geen uitgesproken Joods uiterlijk had, werd ze niet verborgen maar draaide ze mee op de boerderij waardoor wij kinderen dus dachten dat ze een dienstmeisje was. Ook zaten er drie onderduikers op een nabij onze boerderij gelegen ark, ‘de Pieter’ geheten. In april 1944 werd het onrustig in de regio. In Giessendam had de jonge landwacht Westdijk bakker Wouter Smit dood-geschoten, ik meen met zijn jachtgeweer. In de periode daarna kwam het mijn vader ter ore dat het verzet, wat toen trouwens nog niet zo genoemd werd, wraak wilde nemen op de groep steeds brutaler wordende NSB-ers. Een tip over onderduikers diende als lokaas om de landwachters in de Sliedrechtse Biesbosch in de val te laten lopen. Hoewel mijn vader niets moest hebben van het nationaalsocialisme, keurde hij deze actie niet goed. Hij was sowieso tegen gewapend verzet, maar hij vermoedde ook dat de Duitsers hard terug zouden slaan als het verkeerd af zou lopen. Het zekere werd in ieder geval voor het onzekere genomen: onze onderduikers vertrokken. De drie uit de ark vertrokken op eigen gelegenheid, voor de Joodse onderduikster werd een ander adres gezocht. Ze keerde niet meer bij ons terug, maar zou de oorlog wel overleven, dit in tegenstelling tot haar ouders. We hadden na de oorlog nog een enkele keer contact met haar, tot ze naar New York emigreerde.

De aanslag bij de Helsluis
Mijn ouders wisten dat de actie tegen de landwachters in de nacht van 9 op 10 mei 1944 uitgevoerd zou worden. Het was op een dinsdag en ik herinner me dat de spanning om te snijden was. Mijn vader stond continu voor het raam. Lange tijd bleef het stil, maar ’s nachts rond 01.00 uur hoorden we schoten. We lagen in bed en wachtten in spanning af wat er zou gaan gebeuren. Een half uur later kregen we bezoek. Omdat er steentjes tegen de ramen gegooid werden, wist mijn vader dat het ‘goed volk’ was. Het waren drie van de zes verzetsmensen die bij de aanslag betrokken waren. Een van hen, Co Bakker, bleek zwaargewond. Hij werd in onze boerderij opgevangen tot hij in de vroege morgen werd opgehaald. In de slaapkamer van mijn ouders werd er een matras voor hem neergelegd. Van slapen zal niet veel gekomen zijn. Bakker was op zijn hoede en had zijn pistool continu binnen handbereik, want de aanslag had dan wel niet in de zeer directe omgeving van de boerderij plaatsgevonden, het was niet ondenkbaar dat er een spoor naar ons huis zou leiden. Als kinderen hebben wij die nacht overigens niets meegekregen van de onverwachte logé. We gingen de volgende morgen al vroeg naar school en Bakker bleef tot een uur of 10.00 ’s ochtends in de slaapkamer van mijn ouders wachten tot hij werd opgehaald. Pas later hoorden wij, de oudste kinderen, van onze ouders wat er zich die nacht had afgespeeld. Het verzet had de landwachters inderdaad met een verhaal over vermoedelijke onderduikers naar de Biesbosch gelokt. De zes mensen van het verzet lagen in hun tweepersoonskano’s op de boot van de landwachters te wachten. Sluiswachter Van Alphen was op de hoogte van de actie en had de sluis die nacht een stukje open laten staan. Toen de boot van de landwachters er om 01.00 uur nog niet was, besloten de mannen in de kano’s te vertrekken, teleurgesteld dat het verwachte treffen uitbleef. En toen kwam het er alsnog van. Toen de kano’s de Helsluis bereikten, kwam daar de boot met de landwachters hen tegemoet. Middenin de kolk van de Helsluis kwam het alsnog tot een treffen. Twee van de zes raakten daarbij gewond, maar het verlies aan de kant van de landwachters was groter. Er vielen twee doden: Okkerse en Westdijk. De laatste was de vader van de jonge landwacht die Wouter Smit een maand eerder had doodgeschoten. Landwacht Wim Ceelen had de derde dode kunnen zijn, maar het verhaal gaat dat zijn luiheid hem het leven heeft gered. Omdat hij voor in de boot onderuit gezakt zat, trof een van de kogels niet zijn hoofd, maar zijn alpinopet waar ie dwars doorheen ging …. De mensen van het verzet hadden allemaal kans gezien zich na de aanslag uit de voeten te maken: drie meldden er zich bij onze boerderij, de andere drie vluchtten naar Dordrecht. Maar daarmee kreeg de geschiedenis geen happy end.

Represaille
Zoals mijn vader al voorspeld had, werd het nu spannend. De Duitsers wilden de onderste steen boven, waarna er zeker een passend antwoord op deze aanslag zou komen. Toen wij, de kinderen, de volgende ochtend zoals gebruikelijk in de roeiboot stapten om naar de overkant te varen om naar school te gaan, zagen we dat men al met een speurhond op de hoek van de polders Kort en Lang Ambacht/ Polder Stededijk nabij onze boerderij bezig was. We schrokken, dit zou wel eens linke soep kunnen worden. Door toedoen van een politieagent uit Hardinxveld werd de hond echter het water in geleid. De agent deed het voorkomen of de zwaargewonde man van het verzet daar de rivier over zou zijn gestoken. Daar liep het spoor uiteraard dood. Ik moet er niet aan denken wat er gebeurd was, als de hond de weg naar onze boerderij wel had gevonden. We hebben toen echt heel veel geluk gehad. Het nieuws van de aanslag ging verder als een lopend vuurtje en je merkte dat iedereen gespannen en alert was. Op school meende ik ook enige nervositeit bij onze onderwijzer te bemerken, waardoor ik tot op de dag van vandaag het vermoeden heb, dat ook hij iets te maken had met de actie van het verzet. Het blijft bij een vermoeden, het is nooit echt duidelijk geworden welke mannen precies verantwoordelijk waren voor de aanslag en dus ook niet wie de dodelijke schoten hebben gelost. Zaterdag 13 mei 1944 werd de landwacht Westdijk begraven. Een grote stoet vertrok met veel opsmuk, zoals vlaggen en vaandels, vanaf zijn woning op de Rivierdijk. Er waren veel NSB-ers en jongelui van de Jeugdstorm bij aanwezig. In de week daarna volgde de represaillemaatregel van de bezetter.

Op dinsdag 16 mei werden er enkele vooraanstaande burgers van hun bed gelicht. De Duitsers hadden hiervoor een lijst opgesteld, waarop onder andere de namen van de heren Touwen, Groenewold, Lanser, De Heer, Beenhakker, Verhoeve, Drapers, Hofman en dominee Van Tol stonden. Enkele van hen konden nog gewaarschuwd worden, maar Touwen, Verhoeve, Drapers en Hofman werden met nog enkele andere mannen waar ik de namen niet van weet als gijzelaar - zij kregen als eerste de naam Merwedegijzelaars - naar Kamp Vught afgevoerd. Ze worden in september, kort na Dolle Dinsdag, vrijgelaten. Later is de grote groep jonge mannen van tussen de 18 en 26 jaar bekend geworden onder de naam Merwedegijzelaars. Ook het inrekenen van deze jonge kerels zie ik nog zo voor me. Twee van hen werkten bij ons op de boerderij: Gerrit van der Kreeft en Piet van der Sluijs. Zij woonden in Sliedrecht en kwamen iedere ochtend per boot naar de boerderij om daar te werken. Ze hadden alle twee een Ausweis en waanden zich daarmee veilig. Dat bleek een misrekening, want toen ze op de vroege ochtend van 16 mei 1944 over wilden varen, werden ze toch opgepakt en afgevoerd naar Kamp Amersfoort. Van daaruit werden ze vervolgens op transport gezet naar Duitse kampen. Gerrit van der Kreeft keerde nooit meer terug’.

De heer Kadijk vertelt het verhaal alsof het gisteren gebeurd is. Zelf denkt hij dat zijn herinneringen zo goed bewaard gebleven zijn, omdat hij als jongen van 13 veel hoorde en zag. De boerderij lag gunstig daar in de Biesbosch, er kwamen veel crossers over de vloer en dan waren er ook nog de onderduikers. ‘Natuurlijk praatte je daar nooit met iemand over’, aldus de heer Kadijk. ‘Dat was veel te gevaarlijk. Ik werd gedwongen alles voor mezelf te houden. Niet zo gek, dat dit zijn weerslag op me had. Door de spanning kon ik me zeker niet altijd even goed concentreren op school’.

Op de vraag of vader en moeder Kadijk na de oorlog zijn onderscheiden voor hun dappere daden antwoordt de heer Kadijk ontkennend.’Het verzet heeft zich daar wel voor ingespannen, maar mijn vader heeft dat eigenlijk altijd afgehouden. Hij was er de man niet naar zich hiervoor op de borst te laten kloppen. Mijn ouders deden waarvan ze vonden dat ze het moesten doen, ze zochten het zeker niet zelf op. Het waren sterke mensen, die goed in het leven stonden en vanuit hun christelijke achtergrond hun hulp boden. Mijn moeder was zeer ordelijk, maar misschien juist daarom was er altijd heel veel mogelijk’ blikt de nu 77-jarige Kadijk terug. Hij bleef ook na zijn huwelijk in 1962 op de boerderij wonen. Tot 1999 zette hij er het boerenbedrijf voort; tot 1994 samen met zijn broer, de jaren daarna samen met zijn zoon. In 2004 verhuisden de Kadijks naar Hardinxveld-Giessendam. De markante boerderij in de Sliedrechtse Biesbosch, voor velen in de oorlogsjaren een veilig toevluchtsoord, is kort daarna gesloopt.