In de nacht van 9 op 10 mei 1944 schiet het verzet bij de Helsluis twee landwachters dood. Als represaille worden in de week daarna aan beide zijden van de rivier de Merwede honderden veelal jonge mannen opgepakt en door de bezetter weggevoerd. Van deze mannen keren er 26 niet terug.

Vorige persoon (J.H. Lopik) | Terug naar de lijst | Volgende persoon (J. Marcelis)

Naam: Albertus Adriaan Marie Makkink
Roepnaam: Albert
 
Geboren:woensdag 25 maart 1914 te Amsterdam
Overleden: dinsdag 2 februari 1982 te Amsterdam
 
Adres:Haarlemmermeerstraat 35 huis
Woonplaats:Amsterdam
Beroep:Kantoorbediende
 
 
Opgepakt op 16 mei 1944 bij de vergeldingsrazzia te Sliedrecht, Giessendam, Hardinxveld, Werkendam en de Biesbosch: in de polder “Krijntjes Weide” te Werkendam..
 
Bij het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in Rotterdam ingeschreven onder gevangenenummer: 4649
 
Op dinsdag 16 mei 1944 per overvalwagen afgevoerd naar het PDA in Amersfoort
 
Tussen 16 mei 1944 en 7 juli 1944 werden 263 gegijzelden vrijgelaten
Albertus Adriaan Marie Makkink is vrijgelaten.
 
Persoonlijk verhaal:
 

De lijst met jongemannen die bij de represaillerazzia op 16 mei 1944 zijn opgepakt, kent ook drie bijzondere arrestaties. Het gaat om mannen die nadat ze die dag zijn opgepakt niet worden weggevoerd naar Kamp Amersfoort, maar een ander traject afleggen.

We gaan hiervoor naar de polders Krijntjes Weide en Kijfhoek in de Brabantse Biesbosch onder Werkendam. Twee van hen, Karel Johannes van Hartingsvelt uit Werkendam en Jan Cornelis Sluis uit Enkhuizen, worden in laatsgenoemde polder opgepakt. De derde gearresteerde, Albertus Adriaan Marie Makkink uit Amsterdam komt later in beeld, zoals verderop zal blijken. Was eerder de gedachte dat dit een individuele actie van de S.D. zou zijn geweest, inmiddels is het bewijs overtuigend dat deze actie ook uit de razzia voortvloeide. Wim van den Heerik uit Sliedrecht heeft hier in verschillende archieven onderzoek naar gedaan: het Oorlogsarchief Rode Kruis, het Archief Gemeentepolitie Rotterdam en de Arolsen Archieven in Duitsland. Daarnaast, als belangrijkste bron met verklaringen van ooggetuigen en gedegen onderzoek, het boek van Bas Zijlmans, 'Het gehein van de Biesbosch in de Tweede Wereldoorlog'. Verder dienen nog genoemd te worden als bronnen het boekje ‘Brabantse Merwedegijzelaars’ en de familie Sluis, wonende in de USA.

Volgen wij het boek van Bas Zijlmans; dan leefden Karel en Jan, met nog een wisselend aantal anderen, als onderduikers op een tot ark omgebouwde rietaak, gelegen in het Paalgat bij de Bruine Kil  aan de Krijntjes Weide in de Brabantse Biesbosch. Zo willen ze de arbeidsinzet, waarvoor zij gezien hun leeftijd in aanmerking komen, ontlopen. Op die 16e mei om 9.00 uur in de ochtend worden zij door een landmeter gewaarschuwd dat de Duitsers al op de Bandijk in Werkendam zijn, waarna een van de mede onderduikers op de uitkijk wordt gezet. Als deze enige tijd later alarm slaat springen alle arkbewoners overboord en zwemmen de Bruine Kil over naar de polder Kijfhoek. Daar verbergen Karel, Jan en een derde, genaamd Huug B., zich in een koolzaadveld. Nadat een arbeider hen na verloop van tijd komt vertellen dat de Duitsers vertrokken zijn, gaan zij op weg, terug naar hun ark. Daarbij lopen ze echter vijf Duitsers tegen het lijf en slaan op de vlucht, waarbij Karel direct wordt gegrepen en zetten hem met een bewaker in een bootje. Enige tijd later als zij Jan Sluis ook te pakken hebben gekregen en Huug B. niet meer wordt gevonden, wordt hij bij Karel in het bootje gezet en overgevaren naar Werkendam. Uit frustratie dat ze niet alle ontsnapten van de ark hebben kunnen pakken en de anti Duitse tekeningen en leuzen die de Duitsers op de ark aantreffen, steken zij de ark in brand. In Werkendam worden beide in een vrachtauto met nog zes gevangenen gezet en via het veer bij Sleeuwijk, waar zich nog een tweede vrachtauto met gevangenen bijvoegt, naar Sliedrecht vervoerd. Daar moet iedereen uitstappen behalve Karel en Jan, terwijl er een jonge onderduiker uit Den Haag bij hen in de wagen wordt gezet, die ze rechtstreeks naar de S.D. in Rotterdam overbrengt.  Tot zover een samenvatting van het gebeuren in de Biesbosch zoals in bovengenoemd boek verwoord.  

Hiermede zien we de derde gearresteerde, die mogelijk elders in Werkendam gearresteerd werd, de eerdergenoemde Albertus Makkink, in beeld komen. Hoewel hij afkomstig is uit Amsterdam is het niet uitgesloten dat hij eerder in Den Haag is ondergedoken en bij overlevering een en ander niet bekend is. Deze drie mannen zijn waarschijnlijk niet als geijkte arrestanten behandel, omdat zij zich door onderduik aan de arbeidsinzet hebben onttrokken. Hoe het ook zij, die dag worden zij door de S.D. in de politiegevangenis aan het Haagsche Veer te Rotterdam ingesloten. Van hieruit worden zij gedrieën, als onderdeel van een transport van 19 man, op 1 juni 1944 overgebracht naar het PDL Amersfoort, waarna voor ieder van hen een ander traject wordt bepaald.

Karel van Hartingsvelt wordt op 7 augustus 1944 overgeplaatst naar concentratiekamp Vught en tewerkgesteld in de Philips werkplaats. Na ‘dolle dinsdag’ op 5 september vangen de Duitsers aan met het ontmantelen van het kamp. Hierbij worden op 6 september alle mannelijke gevangenen weggevoerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen van waaruit hij tewerkgesteld wordt in het buitenkamp “Klinker”. Dan volgt er een reis langs vele concentratiekampen. Na “Klinker”  gaat hij terug naar Sachsenhausen, vervolgens naar Bergen-Belsen, Bremen-Farge, Bremen-Vörde en Neuengamme. Deze informatie verkreeg de vader van Van Hartingsvelt na de oorlog, toen Karel als vermist was opgegeven, van de burgemeester van Leende, G.J.A. Manders. Manders had Karel in Sachsenhausen leren kennen. Wanneer je leest onder welke mensonterende en erbarmelijke omstandigheden er in deze kampen gewerkt moest worden, is het onbegrijpelijk dat een mens dit kan overleven.

Als het Britse leger Neuengamme steeds verder nadert, besluiten de Duitsers de bijna tienduizend gevangenen van daar over te brengen naar een drietal schepen die in de Lübeckerbocht voor anker liggen. Zoals Manders verder vertelt, heeft hij Karel voor het laatst gezien op één van die schepen, waar hij zelf ook op terecht kwam, te weten de Cap Arcona. Op 3 mei 1945 worden de schepen door de Britse luchtmacht met raketten bestookt waarbij de Cap Arcona brandend kapseist en ten onder gaat. De 23-jarige Karel komt om het leven aan boord van het brandende schip of is - zo hij er nog uit heeft kunnen komen - in het water bezweken.

Jan Sluis wordt na aankomst in het PDL Amersfoort al snel ziek. Daar wordt hij opgenomen in de ziekenbarak met - zoals hij zelf aan zijn ouders schrijft - de diagnose difterie. Uit het Rode Kruisarchief weten we dat Jan in Amersfoort wordt vrijgelaten, wat door zijn familie in de USA bevestigd wordt. Helaas kennen beide bronnen geen juiste datum, net zo min als het Archief Arolsen. Jan Sluis emigreert in 1948 naar Curaçao en later naar Amerika, waar hij in 1990 te Loma Linda (Californië) overlijdt.

Albertus Adriaan Marie Makkink verblijft slechts kort in het PDL. Hij wordt op 15 juni 1944 op transport gesteld naar Wilhelmshaven om overgebracht te worden naar een werkkamp van de O.T. bauleitung op het Oost Friese eiland Wangerooge. Verder is van hem niets bekend buiten een vermelding in het Rode Kruis archief. Hier komen we zijn naam tegen op een formulier onder de vraag "vrienden in de plaats van deportatie"; correspondentie met hem ontbreekt echter. Volgens gegevens uit het bevolkingsregister van Amsterdam blijkt dat hij de oorlog heeft overleefd en op 2 februari 1982 aldaar overlijdt. Nader onderzoek zou uit kunnen wijzen of hij op 25 april 1945 nog op Wangerooge gelegerd was. In dat geval moet hij een verschrikkelijk bombardement met 482 bommenwerpers van de Royal Air Force op dat eiland hebben meegemaakt.


Vorige persoon (J.H. Lopik) | Terug naar de lijst | Volgende persoon (J. Marcelis)